16.6 De Aarde en dan als tweelingziel verder, op weg naar het Goddelijk Al

 

Na Mars gaat de ziel over naar de Derde Kosmische Levensgraad: zes overgangsplaneten, ver verspreid in het universum en dan de Moederplaneet Aarde.
De Aarde bestond toen nog uit een geestelijke substantie. De eerste zielen moesten hun menselijke lichaam weer helemaal opbouwen van cellenleven in de wateren tot mens op het land. Latere zielen incarneren direct in een menselijk embryo.
Na de Aarde gaan de ziel, samen met de tweelingziel, verder in de Hemelse sferen en daarna naar de eerste planeet van de Vierde Kosmische levensgraad.
De Vierde Kosmische levensgraad bevindt zich in een ander Universum, dat uit een ijlere substantie bestaat. Daarna  zal elke ziel zich nog de 5e, 6e, en 7e  Kosmische Levensgraadgraad eigen moeten maken, alvorens op te gaan in het Goddelijk Al.

-Er komt een tijd dat de mensen en dieren de aarde zullen verlaten, doch al die mensen die de hoogste graad hebben bereikt, zien wij in ons leven, het leven van de geest terug. Al die wezens verlaten de aarde en gaan op de vierde kosmische graad over.

Het Ontstaan van het Heelal p.87

-Dít machtige universum, dat de mens van de Aarde af ziet, ís alléén vader- en moederschap en niets, niets anders! En dat vader- en moederschap moet de mens zich eigen maken, waarvoor het kind van God miljoenen levens te beleven krijgt. En daarachter leeft de wedergeboorte, ook voor Zon en Maan, voor dit universum, zodat wij kunnen en moeten aanvaarden, dat waarachtig ook de ‘Vierde Kosmische Levensgraad’ zich heeft kunnen verstoffelijken en vergeestelijken.

De Kosmologie Deel 2 p.242

Bron: Citaten uit de boeken van Jozef Rulof